Ga naar de inhoud

Rechtsbescherming bij aanbesteden

Hoe bont kan de wetgever het maken? Op verzoek van de vaste Tweede Kamercommissie voor Economische Zaken bogen hoogleraren Chris Jansen (Vrije Universiteit Amsterdam) en Fredo Schotanus (Universiteit Utrecht) zich over het wijzigingsvoorstel van de Aanbestedingswet 2012.

Het doel van de voorgestelde wetswijzing: “om de rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures te verbeteren. Ondernemers voelden zich onvoldoende beschermd tegen beslissingen van aanbestedende diensten in aanbestedingsprocedures.”Voorwaar een nobel doel zou je zeggen. Maar of het wijzigingswetsvoorstel dat doel dichterbij brengt? De auteurs van de wetenschapstoets zijn daar bijzonder duidelijk over:

“Het wetsvoorstel draagt naar onze mening niet bij aan verbetering van rechtsbescherming bij

overheidsaanbestedingen. Het voorstel wijzigt namelijk niets aan het bestaande stelsel van mogelijkheden voor ondernemingen om zich te wenden tot een onafhankelijke instantie die kan oordelen over een vermeende schending van materiële regels van de Aanbestedingswet en die zo nodig een remedie kan toewijzen. Wat volgens ons nodig is, is een grondige herbezinning op het bestaande stelsel van rechtsbescherming. Daar gaat dit wetsvoorstel echter niet over.”

Het formulier dat wordt gebruikt voor wetenschapstoetsen vraagt van de wetenschappers om hun observaties te doen volgen door concrete aanbevelingen. ‘Concreet’ betekent in dit geval: de Kamerleden weten wat hun te doen staat. In dit geval kozen de auteurs van de toets ervoor geen aanbevelingen te formuleren, want:

Waar het wetsvoorstel wel over gaat, is klachtafhandeling bij overheidsaanbestedingen. […] Wij vinden de meeste voorgestelde maatregelen ter verbetering van het bestaande stelsel van

klachtafhandeling bovendien onvoldoende onderbouwd. Om die reden geven wij geen aanbevelingen om het wetsvoorstel op dit punt te verbeteren.”

De beide rapporteurs – de Kamerleden die namens de commissie Economische Zaken de wetenschapstoets begeleidden – begrepen de conclusies van de wetenschappers volkomen. Tijdens het rondetafelgesprek op 13 mei, waar de auteurs van de wetenschapstoets hun bevindingen presenteerden en waar ook andere deskundigen aan het woord kwamen, werd helder dat de kritiek op het wetsvoorstel door vrijwel iedereen werd gedeeld. Er lijkt dus breed draagvlak te bestaan voor de conclusie dat dit wetsvoorstel terug moet naar de tekentafel.  Daarmee is de kwestie in het politieke domein geraakt: durft de minister het aan om het door haar voorganger ingediende wetsvoorstel van tafel te vegen? Zelfs in de wetenschap dat daar door de ambtenaren van haar ministerie een zevental jaren aan is gewerkt? Het kabinetsstandpunt over de wetenschapstoets, waarop nu al geruime tijd wordt gewacht, zal duidelijkheid geven.

Als uitsmijter van dit artikel nog de wijze raad van de auteurs aan de minister van Economische Zaken:

Wij merken ten slotte op dat de overheid in een wetgevingsproces als het onderhavige een bijzondere positie inneemt. De overheid vervult in dat proces in de eerste plaats de rol van marktmeester: zij stelt de regels vast die het functioneren van de markt van overheidsinkoop bepalen. Het wetsvoorstel betreft echter primair de rol van de overheid als marktspeler, namelijk als aanbestedende dienst. Het is belangrijk dat in de organisatie en uitvoering van het wetgevingsproces die verschillende rollen en bijbehorende belangen goed uit elkaar worden gehouden.”

Nota bene: bovenstaande citaten komen uit de oplegnotitie die de auteurs toevoegden aan hun wetenschapstoets. Zowel de oplegnotitie als de wetenschapstoets vindt u hier. De technische briefing kunt u hier terugkijken.

(verschenen in de juni-editie van Headlines, de nieuwsbrief van Universiteiten van Nederland)