Ga naar de inhoud

Over draagmoederschap en de rol van de wetenschapstoetsrapporteur

Op verzoek van de vaste Tweede Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid bogen drie wetenschappers zich over het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming. Op 16 april 2026 presenteerden zij hun bevindingen aan de commissie.

Wetsvoorstel en wetenschapstoets

Doel van het wetsvoorstel is een betere bescherming van kind, draagmoeder en wensouders.

Het wetsvoorstel introduceert een regeling voor toekenning van ouderschap na draagmoederschap binnen Nederland en voor de erkenning van ouderschap na draagmoederschap in het buitenland.

De wetenschapstoets werd uitgevoerd door Lien De Proost (Katholieke Universiteit Leuven), Loes van Rijn-van Gelderen (Universiteit van Amsterdam) en Kartica van der Zon (Universiteit Leiden en Rijksuniversiteit Groningen).

De wetenschappers oordelen per saldo positief over het wetsvoorstel, dat zij zorgvuldig doordacht en goed onderbouwd vinden. Het is het huns inziens ook noodzaak dat er eindelijk een goede regeling voor dit belangrijke maatschappelijke vraagstuk komt. De auteurs doen wel een aantal aanbevelingen om het wetsvoorstel te vervolmaken. Zo bepleiten ze dat buitenlandse draagmoederschapstrajecten actiever ontmoedigd worden, nu de buitenlandroute een weg biedt om de nieuwe regelgeving te omzeilen. Verder kan het binnenlandse traject door middel van een aantal randvoorwaarden strakker worden geregeld, en mogen de ambities voor de toegankelijkheid van afstammingsinformatie omhoog.

De rol van de rapporteurs

Anders dan andere recente wetenschapstoetsen onderscheidt deze toets zich niet doordat zij fundamentele kritiek geeft op het beoordeelde wetsvoorstel. Wel richtte deze toets de schijnwerper op een ander aspect: de rol van de rapporteurs. Twee Kamerleden worden door hun commissie gemandateerd om de wetenschapstoets te begeleiden, zij zijn de rapporteurs. Hun rol is beperkt: aan het einde van het schrijfproces kunnen ze in een gesprek met de auteurs aangeven 1) of ze begrijpen wat de wetenschappers hebben opgeschreven en 2) of de Kamerleden met de aanbevelingen uit de voeten kunnen of, anders gezegd, is het handelingsperspectief duidelijk? Omdat aan dit gesprek altijd overleg met de ‘wetenschapstoetsadviseur’ (een voormalig Tweede Kamerlid dat ook de wetenschappelijke wereld kent) voorafgaat, is het gesprek met de rapporteurs meestal onspectaculair.

In dit specifieke geval bleek een van de rapporteurs erg ongelukkig met de wetenschapstoets, naar men mag aannemen omdat hij de inhoud ervan niet kon rijmen met de waarden van zijn partij en zijn persoon. Dat leidde er niet toe dat het betreffende Kamerlid zijn opdracht als rapporteur teruggaf, maar juist koos voor ‘volle vaart voorwaarts’. Hij schreef een inhoudelijke reflectie op de toets – een novum. Ook plaatste hij principiële kanttekeningen bij de rol van de rapporteurs, zoals: waarom hebben zij geen medezeggenschap over de selectie van de wetenschappers? Over deze fundamentele vraag gingen we het gesprek met hem aan. Zowel de wetenschapstoets als de reflectie van het Kamerlid wachten op het moment van schrijven op een reactie van het kabinet.

De wetenschapstoets vindt u hier. De technische briefing kunt u hier terugkijken.

(verschenen in de aprileditie van Headlines, de nieuwsbrief van Universiteiten van Nederland)